Compareerde voor schepenen der heerlijckheyt Venloon
Dirck van Rijswijck ende Christoffel de Leeuw, beyde
vorsters der voorn. heerlijckheyt, dewelcke ter requisitie
ende versoeke van Jan Nijssen van Wanroy, inwoonder
alhier, onder solemnele eeden hebben getuygt ende
verclaart waar en waaraghtigh te wesen, dat sij depo-
nenten op den 26e October 1730, sijnde geweest ordinairen
reghdagh, sijn geweest ten huyse van Thomas van
Vught, schepen alhier, des naarmiddaghs de clocke
ontrent drie a vier uren, alwaar present was seekeren
Mighiel van Esch, inwoonder alhier, mitsgaders
Jacobus Boote, mr. chirurgijn, woonaghtigh tot Sprang,
met verscheyde schepenen en andere ingesetenen, dat
aldaar voorn. Van Esch en mr. Boote besigh off int
bespreeck waaren met seeker accoort over het cureeren
van Chatarina Anthonisse, huysvrouw van Jan Nijssen
van Wanroy, requirant in desen, sij deponenten als
doen gehoort hebben, dat het gemelde accoort ver-
bleven was aan drie a vier arbiters om daarvan
de uytspraak te doen, vervolgens sij deponenten
ook hebben gesien en gehoort, dat voorn. meester
Boote en Mighiel van Esch met de uytspraake
van meergemelde arbiters tevreden waaren, waarop
dan twee brieffies geschreven wierden en op het
eene stont aght en twintigh en op d'andere dertig
gulden en die deselve trock daarmede tevreden
moest wesen, off sigh aanstonts declareren
voor't meesterloon van voorsz. cure, dat sij
deponenten vervolgens gesien hebben, dat mr.
Boote aangeraden wiert sigh met voorn.
uytspraake tevreeden te houden, dogh dat
alsdoen voorsz. mr. Boote tegens meergemelde
Van Esch vraaghden en seyde, wel Van Esch, bent
gij met de uytspraake tevreeden, soo spreekt,
die daarop antwoorden, niet te connen off
willen resolveeren, sijnde den voorsz. mr. /
Boote en Mighiel van Esch derhalve onverrighter
saake gescheyden, eyndigende sij deponenten hier-
meede haare verclaaringe, gevende voor redenen van
wel wetenschap van allen het voorsz. seer goede ge-
heugenisse te hebben en hebben naar prelectueren
deses daarbij gepersisteert, alsoo waarlijck mogt
haar Godt Almagtig helpen. Actum Venloon
desen negentienden Juli 1730.
Albert van Stockum
In absentie van de secretaris
mij present
T. v. Vught, 1730, schepen
Compareerde voor schepenen deser heerlijckheyt Venloon
Jacobus Boote, mr. schurigijn, woonagtig tot Sprangh, den-
welcken onder solemnelen eeden hem alnu affgestaft
zijnde, ten versoeken van Jan Nijssen van Wanroy, inwoon-
der alhier, heeft getuygt en verclaart waar en waar-
agtigh te sijn, dat hij deponent op den 4e April 1729
des morgens met en beneffens den requirant, mitsgaders
Mighiel van Esch, beyde woonende op de Lag Zantschelp
alhier, geweest zijnde alhier tot Loon, zijnen weght
nemende naar Sprang, onderwegen is naargevolght ge-
worden door den voorn. Mighiel van Esch, dat den
voorn. Van Esch hem deponent versoght om naar Jan
Nijssen, requirant in desen, te willen reyden en hem
te spreeken om met hem te accordeerem over de keuren
die den deponent aan Catharina Anthonisse, huysvrouw van den
requirant, in desen in den jaaren 1728 hadde gedaan,
en op weght zijnde om naar den requirant te reyden,
heeft hij deponent den voorn. Jan Nijssen van Wanroy ontrent
de huysinge van Geerit Boogsmans ontmoet off
aghterhaalt, die hij versoght om met hem terugh te
willen gaan om te sien offer een accoort met meer-
gemelde Mighiel van Esch over voorsz. keuren soude
connen getrocken worden, waartoe hij deponent alvorens
voorvoorn. Van Esch was versogt, maar ter plaatse met /
den requirant comende, alwaar se malcanderen verscheyt
hadde, te weten alhier int Hockelbos, heeft hij deponent den
gemelden Van Esch naer veel soeken niet connen vinden, is
hij deponent naar sijn huys tot Sprangh gereeden en
thuys zijnde is voornoemde Van Eesch des naemiddags de clocke
vier a vijff uren aan sijns deponents huyseinge comende zeggen,
dat hij quam uyt name van de heer Ottho Juyn,
drossaert alhier, denwelcken versogte dat hij deponent met hem
Van Esch in der minne soude accordeeren over voor-
verhaalde keuren, seggende hij Van Esch tegens hem
deponent dat de saake aan hem alleenlijck affhancke-
lijck waaren en met accoort uytte werelt soude
geraaken, waarop hij deponent antwoorden, dat daarmede
tevreede was, hoe eerder hoe liever, waarop voornoemde Van
Esch weder van sentiment veranderde en met een
gram gemoet hem deponent vraagden, wie hem t'werck
hadde gestelt over de wonden van voorsz. vrouw van
Jan Nijssen, replicerende daarop hij deponent, dat hij
daar tijt genoeg toe hadde om sulcx te seggen,
maar dat hij op soo een manier bij hem deponent niet
behoorden te comen, om over t'voorsz. geval te accor-
deeren, en maar alleen stont naar sijne voldoeninge, hem
deponent meermaals scheldende met brutaale woorden
en dreygementen.
Wijders verclaart hij deponent, dat hij op den 26e October 1729,
zijnde geweest ordinaire regtdagh, des naemiddags
de clocke dri a vier uren, is geweest ten
huysen van Thomas van Vught, schepen
alhier, alwaar present was meergemelde
Mighiel van Esch, denwelcken hem deponent
versoghte om andermaal een accoort
over voorgaande keuren te willen aangaan,
dat hij deponent met ende beneffens
den voornoemde Van Esch soo verre
waaren besproeken, dat de saake en uyt- /
spraaken aan drie a vier arbiters waaren
gestelt, die daarop twee briefjesn hadden
doens chrijven,w aarop het eene stont
aghtentwintigh en d'andere dertigh
guldens en deseleve door den deponent
en hem Van Esch getrocken zijnde, was
met voorschreven uytspraaken seer wel
tevreeden, als daartoe door de arbiters ge-
persuadeert werdende, waarop hij de-
ponent aan meergenoemden Van Esch
verscheyde maalen in present van
veele persoonen vraaghden, ofte mette
uytspraake tevreeden was, die daar-
op antwoorden niet te connen
ofte willen resolveeren, sulcx
hij deponent met voorschreeve
Mighiel van Esch onverrighter
saaken sijn gescheyden, eyndigende
hij deponent hiermeede sijne
verclaaringe, gevende voor reedenen
van wel weetenschap van allen het
voorschreve seer goede geheugenisse
te hebben en heeft naar prelectuere
dese daar bij gepersisteert, alsoo waar-
lijck moet hem Godt Almagtigh helpen.
Actum Venloon desen negentienden July 1730.
Albertus van Stockum
Willem van Aart
zei op woensdag 2 september 2026 - 22:36