Wij Jan Roose ende Louys Clarisse, schepenen van Antwerpen, maecken condt
fsy voor ons quam heer Niclaes Rockox ridder, oudt borgemeester deser stadt, ende
nu ter tijt onsen mede schepene in der weth alhier, ende bekende ende verlije mitdts
desen opgebeurt ende ontfangen te hebben van Guille Smidt, bode van dese stadt op
Brussele, de hooftpenningen metten achterstelle daeraff, verschenen tot desen dage toe,
van de tsestich gulden erffelijck die de voorsz. Guille Smidt opten iersten dach July
in den jare XVIC twintich vercocht heeft hem comparant op een huys metten
griende ende toebehoorten, gestaen ende gelegen int kipdorp alhier varbij de
Swaenstrate tegensover de huysinge van Septus de Meus naer inhoude van de
brieve dyen hij hem hiermede overgaff, als wij verstonden, alzoe dat de
voorsz. heer Niclas Rockox daeraff van al tot al claerlijck quijte schandt t'allen
dagen den voorsz. Guille Smets zijne goeden ende nacomelingen ende allen anderen
des quietantie behoevende, gelovende in goeder trouwen dat hij hem ter causen voorschreven
nimmermeer anspreken, heysschen noch moeyen en sal in rechte noch daer-
buyten, bij hemselven noch bij iemanden anders van zijnentwegen, in eeniger manieren,
sonder argelist. In kennisse van dese brieve besegelt met onse segelen, gegeven
int jaer ons Heeren als men schreeff 1620, achtentwintich dage
in Junio.
A. della Faille
Jan
zei op zaterdag 6 december 2025 - 09:13