Antonis Cornelis Steve(n)sz, voor he(m) selve(n), Adriae(n) Ja(n)s va(n) Trijn, als man
en(de) vooght inden name van Mariken Cornelis Stevenszd(ochte)r, zijn huysvrou,
Lambrecht Rijchouts, oock voor he(m) selven, va(n) welcken Anthonis,
Mriken en(de) Lambrecht moed(er) was wijle(n) Marike(n) Ja(n) Ve(n)mansd(ochte)r
die is ov(er)leden o(m)tre(n)t XXI hare(n) en(de) beken(n)en en(de) lijden d(at) Rijchout
Lambrechts d(er) voorsz. Marike(n) Ja(n) Ve(n)mans man was, he(n) vol
en(de) al heft voldaen en(de) v(er)nuecht van alle alsulcke goed, haeff en(de)
erve als he(n) en(de) elcken van he(n) en(n)ichssins zijn toegecomen en(de)
aenbestorven van heur moed(er) voors., egheene d(aer)aff uutgescheyden.
En(de) hebbe(n) dye(n)aengaen(de) volcomelijck gequiteert en(de) quiteren
mits des(en) d(en) voors. Rijchout, zijn nacomelingen en(de) allen ande(re)n
des(er) quijti(n)g behoevende, zond(er) d(at) zij oft e(n)nich van hen
e(n)nich recht, actie oft toeseggen des aengaen(de) zullen mogen hebben,
heysschen oft naemaels mogen pretenderen opten voors. Rijck oft yemand and(er)s.
Alles zond(er) argelist. Actum ut supra, pre(se)nten scepen(en) voorsz.
Jan van den Bergh
zei op dinsdag 6 januari 2026 - 12:20