Cornelis Riddersz van Dockum, wonende
tot Vlariding ter eenre, Pieter Claesz,
wonende tott Vlairding, Claes Jacobsz in den
ambachte van Maesland, Mairten Jacobsz den Oude,
wonende op Maessluys, Willem Jacobsz op
Hellevoetzsluys ende Jonge Mairten Jacobsz, wonende
in de jurisdictie van Wateringe onder de parochye
van Naeldwijck, elck voor henzelven, ende
henzelven sterckmakende voor Jan Jacobsz,
jegenwoordich in zee, alle kinderen van
Grietgen Mairtens Verzijden, gewonne bij
Jacob Claesz Hoochstadt ende meer erffgenamen
van Willem Jan Mairtensz Verzijde, t'zamen
ter andre zijde, bekennen mitten andren
verdragen ende geaccordeert te zijn, dat
d'voorsz. Cornelis Riddersz angenomen heeft,
sulcx hij alsnoch anneempt ende belooft bij desen
voor de voorsz. kinderen van Jacob Claesz Hoochstadt
te betalen de navolgende parthie van schulden
ende lasten, welcke d'voorsz. Jan Mairtensz Verzijden
belast, gewilt ende geordonneert heeft datt
bij de voorsz. Jacob Claesz kinderen zullen
werden betaelt uyte goeden die zij van hem
Jan Mairtensz zouden comen te erven, als breder
bij zijne codicil in date 29e December XVIC
achtien gepasseert voor Johan Dwinglo, notaris,
ende twee getugen, als eerst van d'erfgenamen
van Brechgen Dircxdochter de somme van drye
hondert carolus guldens hooftgeltz ende noch
negenthien gulden achtien stuvers 12 penningen van
interesse vandien, verlopen totten eersten September /
XVIC twee ende twintich, item Pieter Claesz
Ouwe Eyck in capitael een hondert carolus
guldens, mitt noch thien gulden acht stuvers
van interesse vandien, verlopen totten eersten
September voorsz., an de diaconie der kercken-
aermen tott Vlairding, in capitael een hondert
carolus gulden mitt zes gulden vijf stuvers 12 penningen dair-
van verlopen totten voorsz. eersten September,
an Jan Pietersz Slijp een hondert carolus guldens
capitaels ende zeven ende twintich gulden eene stuver
elf penningen interesse dairvan verlopen,
an Leentgen Galeys zessentnegentich carolus guldens
hooftgeltz mitt zessentwintich gulden drye stuvers
over interesse vandien, beyde verlopen totten 1e
September voorsz, an hett weeskind van Willem
Claesz in capitael negen ende tachtich carolus guldens
thien stuvers, mitt vijentwintich gulden 5 stuvers
derthien penningen over ineteresse vandien
totten voorsz. eersten September XVIC twee ende
twintich, ende noch hij Jan Cornelisz van Royen
vyer ende zestich carolus guldens capitaels mitt
zeventhien gulden zes stuvers thien penningen
interesse, dairvan verlopen totten voorsz.
eersten September voorsz., alle bekent in den
staet ende scheydinge van den boel, item
noch zal d'voorsz. Cornelis ridders betaelen,
zulcx hij anneempy bij desen, de navolgende
drye porthien in de voorsz. staet ende scheydinge /
nyet uutgedruct, als eerst hij Adriaen
van Kerchoven, penningmeester van Delffland, acht
ende veertich gulden capitael ende noch zes
gulden drye stuvers vier penningen over interesse vandien
verlopen totten voorsz. eersten September twee
ende twintich, noch an de wedue van Jacob
Willemsz Brasser als reste in capitael
vijftich carolus guldens ende noch twee ende veertich
carolus guldens over interesse van tzelve capitael
ende oock meerder capitael datt afgelost is mede
gerekent totten eersten September, ende noch
hij Pieter Claesz Hoochstadt voorsz. vijftich
carolus guldens, begrepen in zijn obligatie in
date 16e Juny XVIC een, alle tzamen bedragende
zesshondert achtentzeventich carolus guldens
twee stuvers 14 penningen, belovende hij Cornelis Riddersz
dienvolgens d'voorsz. erffgenamen heuren
erve van alle d'voorsz. capitalen ende interessen
vandien te vrijen ende te indemneren, costeloos ende
schadeloost te houden ende namentlick de bescheyden
van elck van de voorsz. porthien an de voorsz. erffgenamen over te
leveren, gecasseert voor Vlairdincxe kermis
in desen jare XVIC drye ende twintich, doch
datt denselven Cornelis Riddersz jegens d'voorsz.
elffhondert achtentzeventich carolus guldens
twee stuvers 14 penningen innehouden zal
eerst de somme van thienhondert vyer ende tzestich
carolus guldens acht stuvers 12 penningen die de erffgenamen
bij de scheydinge jegens heure mede erffgenaem
Mairten Gerritsz toegevoucht zijn te ontfangen
van de voorsz. Cornelis Riddersz uyte veerthien hondert /
carolus guldens cooppenningen van den t'voorsz. land aldair,
breder geroert, ende werden dezelve thien
hondert vierentzestich carolus guldens 8 stuvers 12 penningen
genomen wairdich geweest te zijn opten eersen
eersten September XVIC twee ende twintich voorsz.
thien hondert negen ende twintich gulden acht
stuvers 12 penningen, in der vouge datt de interesse
verlopende na den eersten september XVIC twee
ende twintich totte volle betalinge toe van de
capitalen hiervoren tott laste van Cornelis Riddersz
gestipuleert, bliven zullen oock tzijne laste,
zonder datt hij dairjegens eenige vergoeding
zal hebben te pretenderen als hem mitt dese
contracte ende liquidatie voldaen werdende,
ende noch zal hij innehouden de somme van
een hondert achtenveertich carolus guldens 14 stuvers 2 penningen
uyte een hondert zessentzeventich carolus guldens derthien
stuvers eene penning d'voorsz. erffgenamen mede tijzne
laste toegevoucht over interesse van de twee
dusent carolus guldens capitael, begrepen in de obligatie tzijne
laste sprekende, in date 23e April 1613,
ende datt in vervullinge ende vereffeninge van de
voorsz. elfhondert acht ende tzeventich gulden 2 stuvers
14 penningen hiervoren den voorsz. Cornelis Riddersz angewesen
voor de voorsz. erffgenamen te betalen, in der vouge
datt d'voorsz. Cornelis Riddersz an de voorsz.
erffgenamen noch schuldich blijft boven de betaling
van harentwegen zulcx als voren te doen, eerst
negenendetwintich carolus guldens 18 stuvers 15 penningen als reste
van de interesse van de twee dusent gulden totten
eersten September XVIC twee ende twintich, ende
noch thien hondert carolus guldens capitaels uyte zelve
twee dusent guldens hen bij de voorsz. scheyding /
toegevoucht mitten interesse vandien zedert
den eersten September XVIC twee ende twintich,
bekennende d'voorsz. perthien in vouge als
voren mitten anderen geliquideert te zijn,
verbindende d'voorsz. Cornelis Riddersz voor
alle t'gunt wes hij uut crachte van desen jegens
d'voorsz. erffgenamen gehouden is, zijn perzoon
ende alle zijne goeden, jegenwoordich ende
toecomende, egeen vandien uutbezondert, subject
allen rechten ende rechteren, mitte costen, schaden
ende interessen hieromme te hebben doen ende lijden,
alles zonder fraude. In oriconden is dese
ten beyden zijden geteyckent. Gedaen den
17e Mey XVIC twee ende twintich.
X t'merck van Claes Jacobsz Hoochstadt
Cornelis Ridders Dockum
Pieter Claesz Hoochstadt
Maerten Jacobsz van Hoochstat
Willem Jacopsz van Hoochstat
Maerten Jacobsz Over ...
Mij present H. Vockestaert, notaris, 1623
Wij Mairten Jacobsz den Ouden ende Mairten Jacobsz
de Jonge, Willen Jacobsz ende Susamith
Gerrtizdochter, huysvrou van Jan Jacobsz, jegenwoordich
Sjacko Romeijnders
zei op vrijdag 1 mei 2026 - 20:58