Dat de beklaagden ter rechtzitting zijn gedagvaard ter zake:
"Dat in den voormiddag van Zondag 2 Mei 1880, in de Laurierstraat te Amsterdam, de eerste beklaagde (Groothuis) op de aanmaning van den aldaar dienstdoenden agent van politie van de vierde sectie Arie Baars, om rustig zijnen weg te vervolgen, opzettelijk dien beambte eenige trappen heeft gegeven, en daarna, door te tukken, te trekken, te stooten, van zich af te weeren, te slaan en te schoppen, en met hem te worstelen, feitelijk en geweldadig zich tegen genoemden agent heeft verzet, welke hem ter zake van voormelde geweldpleging en ter voorkoming van cerdere ongeregeldheden in arrest wilde nemen; dat de tweede beklaagde, daarbij gekomen, zich insgelijks feitelijk en geweldadig tegen dien zelfden agent van politie heeft verzet, door aan diens handen op geweldadige wijze den gearresteerde (den eersten beklaagde) te bevrijden, of hem gelegenheid te geven om te ontkomen, meer bedoelden agent van politie - post Raampoort, met oogmerk om te beleedigen, ten aanhoor der omstanders, aan de agenten van politie, allen dienst doende aan de vierde sectie Arie Baars, Jacobus Verbeek en Jan Oosterloo, herhaaldelijk heeft toegevoegd de woorden: sodomieten, smeerlappen."
Overwegende, dat de feiten den tweede beklaagde (Vogel) bij de dagvaarding ten laste gelegd, alhoewel wettig, niet overtuigend zijn bewezen, en mitsdien hij daarvan moet worden vrijgesproken;
Overwegende, ten aanzien der feiten aan eerste en derde beklaagde ten laste gelegd,
dat de eerste beklaagde (Groothuis) heeft opgegeven uit hoofde van den staat van dronkenschap, waarin hij bij de bedoelde gelegenheid heeft verkeerd, van het hem ten laste gelegde niets meer te weten;
dat de derde beklaagde (Albers) het haar ten laste gelegde heeft ontkend;
Overwegende dat de getuige Arie Baars onder eede heeft verklaard, dat in den voormiddag van 2 Mei 1880 in de Laurierstraat alhier ter stede, alwaar hij in uniform als agent van politie aan de 4de sectie dezer gemeente dienst deed, de beklaagde Groothuis die hij aanmaande rustig zijn weg te vervolgen, hem, getuige, opzettelijk eenige trappen heeft gegeven, en daarna, door te rukken, te trekken, te stooten, van zich af te weeren, te slaan en te schoppen en met hem te worstelen, zich feitelijk en geweldadig heeft verzet, toen hij, getuige, hem ter zake voormelde geweldpleging en tot voorkoming van verdere ongeregeldheden wilde arresteeren, gedurend welke worsteling, de derde beklaagde (Albers) met het doel den eersten beklaagde te bevrijden hem, getuige, moedwillig eenige stompen heeft gegeven, terwijl eindelijk deze derde beklaagde zowel in de Laurierstraat als onder de overbrenging van den eersten beklaagde naar de politie-post Raampoort hem zooveel als de hierna te noemen, destijds allen als politieagent der 4de sectie in uniform dienstdoende getuigen Leniker, van der Vegt, Verbeek en Oosterloo benevens zijns getuige's confrater, ook destijds in uniform dienstdoende Verbeek, ten aanhooren der omstanders beleedigend de woorden: sodomieten en smeerlappen herhaaldelijk heeft toegevoegd;
dat de getuige L.J.B. Voeteling onder eede heeft verklaard te hebben gezien dat op tijd en ter plaatse voormeld de eerste beklaagde (Groothuis) den destijds aldaar in uniform als politieagent dienst doende getuige Baars moedwillig eenige trappen heeft gegeven, en vervolgens zich tegen de agent op de hierboven ten breede omschreven wijze feitelijk en geweldadig heeft verzet, en bovendien dat de derde beklaagde, Albers, dien agent met het doel den eersten beklaagde te bevrijden, moedwillig eenige stompen heeft gegeven;
dat eindelijk de getuigen W.J. Leniker, B. ban der Vegt en J. Oosterloo onder eede, ieder voor zich hebben verklaard, dat bij de hierboven bedoelden gelegenheid, de derde getuige hem, de getuige Baars, en hem confrater J. Verbeek, allen destijds in uniform als politieagenten der 4de sectie dienst doende, ten aanhoore der omstanders beleedigend de woorden, sodomieten en smeerlappen herhaaldelijk heeft toegevoegd;
dat derhalve de feiten den 1sten en den 3den beklaagde als boven ten laste gelegd en hun schuld daaraan, door de hierboven omschreven verklaringen der getuigen wettig en overtuigend zijn bewezen;
Verklaart de feiten den 2den beklaagde, Vogel, ten laste gelegd alhoewel wettig, niet overtuigend bewezen;
gezien art. 234 jc (?) 210 Wetboek van Strafvordering;
spreekt den 2de beklaagde daarvan vrij, de kosten in zoverre te dragen door den staat;
Verklaart de voorschreven feiten den 1sten en den 3den beklaagde ten laste gelegd en schuld daaraan, wettig en overtuigend bewezen en dat zij uitmaken: ten aanzien van den eersten beklaagde het plegen van gewelddadigheden tegen een bedienend beambte onder het waarnemen van zijn dienst, welke gewelddadigheden geene bloedstorting, kwetsing of ziekte hebben voortgebragt; strafbaar volgens art. 228 jc(?) 230 Wetboek van Strafrecht, en gewelddadige en feitelijke wederstand jegens een bedienend beambte, handelende ter uitvoering ter bevelen van het Openbaar Gezag, door een persoon zonder geweer of wapenen;
strafbaar volgens art. 209,212, van het Wetboek van Strafregt: ten aanzien der derde beklaagde, eveneens het plegen van geweldadigheden tegen een bedienend beambte onder het waarnemen van zijn dienst, welke geweldadigheden geene bloedstorting, kwetsing of ziekte hebben voortgebracht, strafbaar alsvoren,
en beleediging met woorden, een bedienend beambte in de waarneming zijner bediening aangedaan, strafbaar volgens art. 224 van gemeld wetboek;
jairvandijk@gmail.com
zei op dinsdag 30 december 2025 - 19:31