Op internet is het volgende te vinden:
Het Middel op trouwen en begraven diende betaald te worden in de plaats waar het huwelijk of de begrafenis plaatsvond. Als een Amsterdammer bijvoorbeeld buiten de stad in Sloterdijk werd begraven liep het stadsbestuur het middel op begraven mis, want die kwam dan de schatkist van Sloterdijk ten goede. Om deze inkomstenderving voor de stad tegen te gaan werd een boete ingesteld. Vanaf 1695 werd de Boete op het trouwen en begraven zo in feite een boete op het ontduiken van het Middel op trouwen en begraven in Amsterdam.
Mensen (of hun nabestaanden) moesten voor hun buitensteedse activiteiten dus dubbel betalen: één keer de standaard belasting in de plaats waar zij trouwden of begraven werden, met daarbovenop nog de boete in Amsterdam. Pas als de boete betaald was mocht er getrouwd of begraven worden.
De boete viel over het algemeen lager uit dan het bedrag dat standaard aan belasting betaald moest worden. De overgrote meerderheid betaalde voor het trouwen 3 gulden per huwelijkspartner, dat gelijk was aan het bedrag van het Middel dat voor de laagste belastingklasse geheven werd. Voor extra’s als trouwvervoer per wagen, schuit, sleetje of chaise kon het bedrag echter oplopen tot 25 gulden of zelfs een maximum van 200 gulden voor een groot gevolg met meerdere koetsen. Bij het begraven betaalde men in de meeste gevallen 10 gulden; het maximum bedrag was 155 gulden voor een stijlvolle uitvaart bij avond ‘met statie’.
Timon
zei op maandag 17 november 2025 - 14:51