In manieren naervolgende bekent Pieter
Woutersz Katersvelt, eygenaar van sijnne
huysinge, genaamt Oostenrijck, staande ende
gelegen aan de suytsijde van de Gasthuyslaen
binnen deser stad Delff, vergunt ende
geconsenteert te hebben, sulx hij vergunt ende
consenteert bij desen, aan Willem van
Teylingen, sijn buyrman, als possesseur van de
huysinge genaamt Het Jonge Moorjaans Hooft,
staande ende gelegen alsvoren, dat den
voorsz, Van Teylingen sal vermogen te timmeren
ende te metselen aan ofte tegen de oostsijd-
muyr van den voorn. Katersvelt sijn kuyphuys,
soo lang als sijn kuyphuys is streckende,
comende ten suyden maar tot de stadsveste
met een muyr van een steen dick, meerder ofte
minder, naar het in het bouwen te passe comen
sal, onder conditie dat den voornomden
Van Teylingen tot sijnen coste in het dack
van den voorn. Katersvelt sal doen leggen een
loode goot, welke goot soo lange die op deselve
muyr sal leggen bij den voorn. Van Teylingen sal
moeten worden onderhouden tot sijnen coste,
het water comende van deselve goot
sal hij Van Teylingen moeten afleyden op sijn erff,
aslmede het water comende uyt de houte goot,
die den voorn. Van Teylingen sal vermogen te
hangen aan sijne nieuw te maken westsijdmuyer,
soo hooch en lang als sijn Van Teylingens
packhuys vereysschen sal. In oriconden
geteykent desen 13 November 1671.
Pieter van Katersvelt
W. v. Teylingen
Anne
zei op dinsdag 18 augustus 2026 - 11:10